Wandelen in een Bijbels plaatje
Net geen drie uur liggen er tussen druk, lawaaiig Schiphol en het vliegveld van Nador aan de noordkust van Marokko, waar hooguit twee vliegtuigen per dag landen en opstijgen. Hoe een wandelreis in het Rifgebied van Marokko tot een onvergetelijke ervaring wordt.
Door Hans Willems
Het ezeltje daalt met veel geduld langs een rotsachtige paadje af naar de weg. Een kleurrijke geheel van bij elkaar gebonden koffers en rugzakken torsend in gevlochten manden. Onze bagage zal beneden aan de heuvel in een busje worden geladen, op weg naar de volgende stop. Wij beginnen via een ander pad te voet aan onze dagtocht.
Als je in Noord-Marokko geen ezel hebt, ben je pas echt arm. Ezels sjouwen met de jongste aankopen van de markt, dragen geduldig elke dag vele tientallen liters bronwater en vervoeren met evenveel gemak een boer, diens vrouw of drie jonge kinderen.
We zijn halverwege onze zesdaagse wandeltocht in Noord-Marokko. Vandaag dalen we af naar de kust om op een idyllisch strandje een duik in het nog koude Middellandse Zeewater te nemen. Onderweg vertelt onze gids Saïd over het leven in het Rifgebergte, dat dichtbij de kust toppen kent tot 800 á 900 meter hoog.
Wandelen in Noord-Marokko doet geregeld beelden bovenkomen uit de Bijbelse geschiedenisles van de lagere school. Reizigers komen op adem onder een vijgen- of olijfboom. Vrouwen wisselen het laatste nieuws uit bij de bron waaruit water wordt geput.
Jonge geitjes en lammetjes vormen mekkerend de staart van een kudde volwassen dieren, die wordt voortgedreven door kinderen die eigenlijk op school zouden moeten zitten.
Geuren
Het is voorjaar en de tempratuur loopt ’s middags al op tot 25 graden. De tarwe is al hoog opgeschoten en dadel-, vijgen- en olijfbomen staan er in voorjaarstooi bij. Uitbundig bloeien de brem, margrieten en tientallen andere bloemen- en plantensoorten. Kruiden als tijm, munt en majoraan in combinatie met de frisse wind van zee maken dat je je af en toe in een geurenparadijs waant. In de dorpjes die we aandoen zijn we een bezienswaardigheid, want toerisme is hier een nog nauwelijks ontwikkeld fenomeen. Met hulp uit Spanje hebben Marokkanen een associatie opgericht die kleinschalige recreatie ontwikkelt. In een aantal dorpen zijn gezinnen aangezocht om een eenvoudig gastverblijf in te richten. Wandelroutes zijn er al wel, maar goede kaarten nog niet.
Het Rifgebergte, met als hoofdstad de prachtig gelegen kustplaats Al-Hoceima, is de bakkermat van de meest ‘Nederlandse’ Marokkanen. Bijna veertig jaar geleden kwamen hier de eerste werkgevers en overheidsfunctionarisen om contracten af te sluiten met jonge mannen die door het sluiten van de grens met Algerije zonder werk zaten.
Het zou het begin worden van een brede migratiestroom baar het verre, onbekende Nederland. De geschiedenis is bekend. De contracten waren op tijdelijkheid gebaseerd, maar de geldstroom die de gastarbeiders richting Marokko veroorzaakten, werkte aanstekelijk.
Er kwam gezinshereniging en vandaag de dag telt Nederland een Marokkaanse gemeenschap van enkele honderdduizenden mensen.
De meerderheid van de bevolking in Noord-Marokko is Berbers, met een eigen taal, cultuur en zelfs wat eigen varianten op de beleving van de islam. De hoofdstad Rabat en bij toeristen populaire steden als Casablanca, Marrakech en Agadir zijn ver weg, en bezorgen Noord-Marokko het stempel ‘achtergebleven gebied’. Als gevolg van de smokkel van hasj in dit heel lang door Spanjaarden beheerste gebied, weerden de autoriteiten buitenlanders.

IMAM
Nu het belang van toerisme wordt ingezien, komen er geleidelijk aan betere voorzieningen. Even buiten het nationaal park zijn in een idyllische kustplaatsje zelfs plannen om met oliegeld uit de golfstaten een grootschalige badplaats te bouwen.
Per dag doen we zo’n 15 tot 20 kilometer te voet. Voor de lunch krijgen we in het gastenverblijf gebakken brood mee, waarbij we in dorpswinkeltjes een blikje tonijn of verpakte smeerkaas kopen. Een aantal keren krijgen we spontaan thee aangeboden van vriendelijke dorpsbewoners die zulk buitenlands bezoek niet gewend zijn.
Opvallende elementen in het landschap zijn de hagelwitte maraboets, islamitische heiligdommen op het graf van mensen die als heilig geacht worden voorspraak te kunnen doen voor het geluk en de gezondheid van de levenden. In Mestassa doen we een moskee aan, die na de aardbeving van 2004 met Nederlandse hulp wordt gerestaureerd.
De Imam geeft juist les aan kinderen in de Koranschool, in sommige dorpen nog steeds de enige vorm van onderwijs. Koning Mohammed VI heeft zich tot doel gesteld alle Marokkaanse kinderen naar school te krijgen, maar dat ideaal is nog niet verwezenlijkt.
Landbouw, veeteelt en kleinschalig ambachtswerk zijn hier de belangrijkste bronnen van bestaan. Noord-Marokko is arm, maar er wordt geen honger geleden. De aanleg van een weg van oost naar west moet de streek ontsluiten, maar de bouw verloopt traag.
Na de laatste wandeletappe brengt een rammelende ‘bush-taxi’ ons terug naar Al-Hoceima, waar we nog een nacht in een hotel slapen. Voor het afsluitende etentje kiezen we zelf de vis uit die vers is aangevoerd in de haven. Een klein uurtje nadat we die in een plastic tas hebben afgegeven in het restaurant staat ‘ie als een vorstelijk visschotel op tafel.

Een westerse vrouw die alleen woont en ook nog eens vloeiend Arabisch spreekt. Sietske de Boer (54) geregeld de monden van Marokkanen openvallen. Ze verhuisde in 2000 naar Rabat om als freelance journaliste een bestaan op te bouwen, maar heeft zich inmiddels doen gelden als een duizendpoot.
Ze schrijft een boek over Noord-Marokko, organiseert wandelreizen in het Rifgebergte, helpt vrouwen bij het ontwikkelen van coöperaties en is bij diverse andere initiatieven betrokken.
De belangstelling voor de Arabische wereld dateert bij de uit Gaast afkomstige de Boer uit de jaren dat ze welzijnswerk in Amsterdam verrichte onder wat toen nog gastarbeiders werden genoemd. Acht jaar geleden verhuisde ze naar Marokko, eerst naar Rabat, later naar Al-Hoceima, de hoofdstad van het Rif-district, waar de meeste ‘Nederlandse’ Marokkanen vandaan komen.
Enkele keren per jaar zet Sietske een wandelreis voor Nederlandse groepen op touw. Met dagtochten van 15 tot 20 kilometer en verblijf in heel eenvoudige ‘Gites’(gasthuizen).
Rond Al-Hoceima strekt zich een nationaal park uit, een waar wandelparadijs, vooral in de wat koelere maanden in het voor- en najaar.
Lang niet alle dorpjes hebben waterleidingen, sommige zelfs geen elektriciteit, maar de gastvrijheid van de mensen en de schitterende natuur vergoeden dat in ruime mate.


